Hedde Maartje Evers, psychotherapeut

Hedde Maartje werkt als psychotherapeut, zowel vanuit haar eigen praktijk Psychotherapiepraktijk Evers als in een instelling voor ambulante specialistische GGZ.  Nadat ze vol enthousiasme aan het Anna Freud Centrum in Londen haar opleiding psychoanalytische kinder- en adolescenten psychotherapie volgde, heeft ze in Nederland haar kennis uitgebreid naar de (jong)volwassenen om voor haar BIG-registratie in aanmerking te komen; met die doelgroep werkt ze nu een aantal jaren. Ze werkt in een jong volwassenen team en biedt individuele en groepsbehandelingen. Dit doet ze voornamelijk met een specifieke groep patiënten:  Jongvolwassen studenten van de universiteit, waarvan een deel, naast de psychische/ psychiatrische problemen die ze hebben, ook hoogbegaafd is. Naast psychotherapeute is ze ook kinderanalytica.

Hedde Maartje wil je vertellen wat je als psychotherapeut opvalt aan patiënten die ook hoogbegaafd zijn?
Ik help patiënten met het geven van woorden aan wat er innerlijk gevoeld en beleefd wordt, dat is bij hoogbegaafde patiënten niet anders. Wel merk ik dat de intensiteit vaak enorm is bij deze jonge mensen. Ze denken, voelen, overwegen veel intenser en soms lopen ze daar in vast en ook dat gebeurt op een intense manier. Ik denk dat echt begrepen worden van groot belang is, opnieuw, ik vind dat dat voor alle mensen geldt. Binnen deze specifieke groep is er, vanuit het anders denken en voelen, vaak al een langere geschiedenis van eenzaamheid en een gevoel van ‘anders zijn’, het kan veel betekenen als dit in een behandeling gedeeld en begrepen kan worden. Ook heb ik gemerkt dat er, ik denk ook vanuit het ontbreken van anderen waaraan ze zich kunnen refereren, bij deze mensen vaak een gevoel speelt dat er heel veel mis met hen is.

Wanneer denk jij bij een patiënt aan hoogbegaafdheid?
Als iemand snel denkt, vlugge verbanden legt en snel en treffend reageert op wat ik zeg. Soms door een vervolgreactie die zich ook vlug verder ontvouwt, maar ook zeker in de beginfase middels veel verschillende afweerreacties. Ook dat is niet per sé anders dan bij andere patiënten, maar, opnieuw, intenser en meer gelaagd denk ik, met meer en vluggere wendbaarheid. Regelmatig spreek ik ook mensen die een indrukwekkend cognitief  doorwrocht verhaal kunnen vertellen over zichzelf, vol verbanden en verklaringen, maar hiermee vanuit hun emotionele wezen geen verbinding kunnen of durven maken. Ook dit is in feite een dappere poging tot afweer, vaak zijn het verhalen waar geen speld tussen mag komen. Verhalen die in de basis functioneren als pogingen tot verdediging of bescherming van het zelf tegen pijn waarvan gevreesd wordt dat die te groot is. Het emotionele leven en de emotionele wendbaarheid is dan, zo heb ik het idee, ‘’bevroren” en ondergebracht in de grote pijn van vaak depressieve en angstklachten waarbij bij aanvang nog weinig gevoelde verbanden kunnen worden gelegd. Zodra dat wel lukt en er doorvoelde betekenis gaat zijn, beginnen mensen te herstellen. Daarnaast merk ik dat de mensen die ik zie vaak intens vertwijfeld zijn, in het zoeken naar wie ze zijn. Passend bij de leeftijd, maar ook hierin is er vaak het bezig zijn met wat er ‘mis’ met hen zou zijn en hoe ze het moeten aanpakken ‘erbij’ te horen. Deze mensen voelen zich wat vervreemd van andere mensen van hun leeftijd, ‘herkennen’ zichzelf weinig in de ander denk ik. Tegen de tijd dat mensen gaan studeren is dat, denk ik,  vaak al een aantal jaren zo geweest en hebben mensen zich soms ook zo lang en zozeer aangepast dat de voeling met wie ze in wezen zijn ook verder is weggeraakt. De juist genoemde discrepantie tussen emotionele en cognitieve mogelijkheden valt mij regelmatig op bij de mensen die ik (in de specialistische GGZ) zie. Daarbij ben ik mij gaan afvragen of deze mensen zich al vroeg voor pijn (waaronder ook de intensiteit van emoties die in aanleg hoger lijkt te liggen) en gevoelens van niet begrepen worden en teleurstelling af zijn gaan sluiten. Daarmee zouden zij dan (een deel van) hun emotionele ontwikkeling stil kunnen hebben gelegd, vaak al relatief vroeg in het leven misschien. Het cognitieve kunnen loopt bij deze mensen vaak sowieso op de emotionele ontwikkeling vooruit, hetgeen het verloop van de ontwikkeling compliceert en hen voor een grote uitdaging stelt, waarbij zij zichzelf dan natuurlijk ook, net als iedereen, in het contact met anderen ontmoeten. Dat contact loopt grotere kans op complicaties door die ongelijke ontwikkeling. Dat is dan slechts één factor, die nu even kort wordt aangestipt.

Hoe ga je om met de diagnostische fase bij deze patiënten?
Voor mij hoort ook en misschien vooral bij deze eerste fase dat mensen gezien en gehoord worden, dat geprobeerd wordt hen echt te begrijpen in wie ze zijn, wat ze ervaren, waar ze staan. Daaruit klinkt wel al dat ik minder gericht ben op classificerende diagnostiek, die is op bepaalde punten zeker nodig aangezien je geen zaken wilt missen, maar het belangrijkste is voor mij toch echt dat andere. Ik denk dat het voor iedereen betekenisvol is als iemand probeert hen echt te begrijpen, het erkent de complexiteit van de moeilijkheden van mensen en van mens zijn. Bij hoogbegaafde mensen past dat ook zeker, anderzijds is er, vanuit het zoeken naar ‘wat is er toch’, ook regelmatig wel de vraag naar een DSM-classificatie. Ik vind het een moeilijk spanningsveld tussen iemand niet te kort doen, door een bepaalde classificatie niet te stellen, maar ook niet te snel en te veel te gaan classificeren waar dat niet helemaal nodig is. Een classificerende diagnose kan ook weer een verschuilplek worden waarmee iemand zichzelf dan juist opnieuw emotioneel tekort zou doen. Sommige kenmerken die passen bij hoogbegaafden kunnen ook passen bij bijvoorbeeld ADHD of bij autisme, soms komen zaken samen voor. Het is in mijn opinie belangrijk hiervoor tijd en aandacht te nemen en, indien er zorgen over blijven bestaan, onderzoek in te zetten naar ontwikkelingsproblematiek. Het diagnostisch onderzoeken van vooral de intelligentie vind ik een bijna nog lastiger punt, omdat het de indruk wekt dat vooral daar veel vanaf hangt en ik vind dat daarin een zeker reductionisme steekt, terwijl ik juist denk dat het belangrijk is te leren leven met anders zijn, niet weten, een leven vinden dat bij je past, zonder je vast te pinnen op een intelligentiequotiënt dat je op zo’n indringende wijze zou definiëren. Soms biedt een onderzoek voor iemand duidelijkheid en opluchting; soms lijkt het, vanuit de therapie, iets dat storend werkt. Nu dat ik iets langer met deze doelgroep werk heb ik weleens gedacht dat ik bij sommigen eerder en duidelijk had moeten benoemen: “Die intensiteit van je, dat heeft ook met hoogbegaafdheid te maken”, anderzijds kunnen mensen dit soort zaken pas in zich opnemen als ze zover zijn dat ze het ook toe mogen laten. Dat heeft vaak tijd, ruimte en – met perioden echt pijnlijk – werk nodig.

Wat valt er op in de individuele behandeling van deze jongeren?
Soms lijkt de behandeling sneller te gaan, door de eerder genoemde intensiteit en snelheid in denken en schakelen, maar dit kan ook een verkeerde indruk wekken van een hele snelle verbetering. Emotionele mogelijkheden en groei kunnen, in mijn ervaring binnen de setting waar ik werk, vaak langere tijd achterop blijven. Daar blijft voldoende tijd voor nodig. Durven gaan zijn wie je bent is moeilijk, vooral als je je lange tijd aangepast hebt.

Wat valt je op aan de hoogbegaafde patiënten, tijdens de groepsbehandelingen die je geeft?
Ik ben, samen met een collega, therapeut in een psychodynamische groep voor jong volwassenen met een fors bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling/ persoonlijkheidsproblematiek. Geregeld zitten in de groep mensen die als hoogbegaafd imponeren. Het valt op dat deze mensen scherp en snel zijn, ook moet het precies kloppen wat hen voorgelegd wordt. Als dit zo is, dan is het goed en kunnen ze ermee verder. Een beetje in de richting of een gevoel van begrepen worden in het algemeen, dat volstaat (terecht) niet en dat wordt ook niet aangenomen. Als therapeut mag je je dan nader verklaren en proberen preciezer over te brengen wat je bedoelde. Velen hebben op de middelbare school geprobeerd hulp te krijgen, maar werden toen niet gezien; groepssessies waarin dit een grote gedeelde ervaring is zijn soms vol verdriet. Veel lijkt in het opgroeien anders te zijn ervaren, en bij gebrek aan contact met ontwikkelingsgelijken kunnen gevoelens van vervreemding, isolatie en kwetsbaarheid ontstaan. De eenzaamheid die ervaren is, is vaak enorm groot. Zelfs op de universiteit vinden mensen die ontwikkelingsgelijken niet altijd en dat is hard. Ze voelen zich als het ware een bever tussen de eenden en willen eigenlijk ook een eend zijn, wat niet lukt en dat voelen ze duidelijk, maar ze proberen zich toch in een eendenpak te wringen en ‘eends’ te spreken, ondertussen steeds overwegend: “Merkt die ander dat ik geen echte eend ben?”. Vaak is er een intense preoccupatie met wat de ander over hen merkt en denkt en hoe te handelen om niet opvallend anders te zijn. Metaforen zoals deze kunnen, mits echt passend en authentiek,  mensen helpen bij het in ontwikkeling komen tijdens het therapieproces. Als er weer beweging komt, blijkt vaak dat er ook veel gebeurt en onderzocht wordt buiten de sessies. De eerder zo gestagneerde ontwikkeling kan dan ook opeens weer snel en intens opgenomen worden.

Word donateur!

Het LKPHB is een stichting en kent deelnemende instellingen en donateurs.

Met het opzetten en uitbouwen van dit kennisnetwerk zijn verschillende kosten gemoeid. Daarnaast willen we investeren in het specifieke (kennis)aanbod op deze website en in wetenschappelijk onderzoek naar psychiatrie en hoogbegaafdheid. Alle verdiensten komen enkel ten goede aan de missie van de stichting.

Wilt u dit kennisnetwerk financiëel steunen, dan kunt u dit kenbaar maken via info@kennisnetwerkphb.nl.